Werknemer blijft thuis na oproep van werkgever: ontslag houdt stand, maar hij krijgt €39.235,25 mee
In dit artikel:
Een werknemer die sinds december 1999 bij een bedrijf werkte, is op 3 februari 2026 op staande voet ontslagen nadat hij niet op zijn werk verscheen. Hij had zich in januari ziekgemeld, maar miste eerst een afspraak met de bedrijfsarts. Daarvoor had hij een uitnodiging en herinnering ontvangen en hij had tegenover zijn teamleider bevestigd dat hij van de afspraak wist. Ook waren er al eerdere problemen rond afspraken en re-integratie, waaronder een loonstop en een officiële waarschuwing.
Op 26 januari bezocht de werknemer de bedrijfsarts alsnog. Die stelde klachten en beperkingen vast, maar verwachtte dat hij begin februari zijn eigen werk weer kon hervatten. De werkgever liet weten wanneer hij werd verwacht en wees erop dat hij bij aanhoudende klachten een nieuwe medische beoordeling moest aanvragen. De werknemer deed dat niet en bleef op 3 februari thuis. Volgens de rechtbank Rotterdam had hij ook moeten verschijnen om te bespreken welk aangepast werk mogelijk was.
De kantonrechter zag zijn afwezigheid als onderdeel van een langer patroon van het niet nakomen van afspraken. Het ontslag bleef daarom in stand. Maanden later oordeelde UWV echter dat de werknemer op de ontslagdatum niet geschikt was voor zijn volledige eigen werk. Die medische informatie kon het ontslag niet terugdraaien, maar voorkwam wel dat zijn gedrag als ernstig verwijtbaar werd aangemerkt.
Daarom moet de werkgever €39.235,25 bruto transitievergoeding betalen, plus wettelijke rente vanaf 3 maart 2026. De werknemer krijgt geen billijke vergoeding en keert niet terug. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De uitspraak onderstreept dat een dringende reden voor ontslag op staande voet niet automatisch betekent dat ook het recht op een transitievergoeding vervalt.
Vandaag Inside: Chris Woerts onthult vijf punten uit plan voor VVD: 'Het kwartje van Kok draaien we terug!'